begrippenlijst
Begrippenlijst
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
A
Aemulatio (Lat.) Term uit de poëtica voor wedijverende nabootsing.Allegorie Volgehouden reeks metaforen.
Ars (Lat.) Kunst of vaardigheid.
Attributie Zie toeschrijving
Autopathische identificatie Identificatie die de uitgebeelde ander herleidt tot een op de lezer lijkende figuur, zodat de lezer meent het personage te herkennen.
B
Bericht Mededeling omtrent een gebeurtenis of reeks gebeurtenissen.
C
Chute Zie volta
Close reading Uiterst nauwkeurige lezing van een tekst; in
Nederland onder meer gepropageerd in het tijdschrift Merlyn.
Code Een stelsel van regels dat bepaalt dat bepaalde tekens
verbonden kunnen worden met bepaalde betekenissen.
Conventies
– (cultureel)
Regels die men in een cultuur aanhoudt, bijvoorbeeld conventies die de
omgang met kunst regelen: zo is het in de tegenwoordige tijd
gebruikelijk om een klassiek concert zittend, stilzwijgend te
beluisteren, terwijl in vroeger tijden staand, in en uitlopend en
pratend ’publiek’ een uitvoering bijwoonde.
– (literair)
1 Regels of regelsystemen die ons leesgedrag regelen.
2 De gebruikelijke patronen of structuren van een genre of meerdere
genres.
Creatio (Lat.) Term uit de poëtica voor schepping.
D
Decorum Retorische ‘deugd’: houdt in dat men dient te streven
naar harmonie, naar een doelgerichte relatie tussen betoog en
onderwerp: aanpassing van materiaal, opbouw en woordkeuze aan zedelijke
normen, aan leeftijd, aan publiek en onderwerp.
Deixis Een verwijzing naar de taalsituatie zelf van woorden die
zonder zo’n verwijzing betekenisloos zijn. Persoonlijke voornaamwoorden
als ‘ik’ en ‘jij’ in tegenstelling tot ‘hij’ en ‘zij’; woorden als
‘hier’ en ‘daar’, ‘nu’, ‘straks’, ‘zoëven’, ‘gisteren’, ‘morgen’ zijn
deictisch.
Dialoog Een reeks verschillende, op elkaar betrokken taaldaden
uitgevoerd tussen twee sprekers, en waarvan de aard sterk kan variëren.
Vragen en antwoorden, expressies en verzoeken, kunnen afgewisseld
worden met mededelingen.
Dramatische
ironie of Situationele ironie is een ongelijke verdeling van
informatie tussen personages en lezer.
Dreiging Spanning die eruit bestaat, dat
de lezer meer weet dan het personage over wat de laatste bedreigt.
E
Écriture artiste (Frans) Artistieke (en weelderige)
schrijfwijze in het naturalisme voor de beschrijving van voorwerpen,
ruimten, landschappen, mensen en stemmingen.
Elementen Onderdelen van de inhoud van een verhaal, zijn
geschiedenis. Gebeurtenissen, figuren, tijdsbestek en ruimte zijn
elementen.
Ellips Weglating van een zinsdeel, vaak een
werkwoordsvorm.
Enjambement Constructie in poëzie waar het einde van de
versregel en het einde van de zin niet samen vallen.
Esthetica De leer van de zintuiglijke waarneming, in meer
specifieke zin de tak van de filosofie die zich bezig houdt met
schoonheid en kunst.
Esthetische functie (van literatuur) Houdt in dat literatuur
gericht is op het ervaren van de kwaliteit van de tekstuele
vormgeving.
Exclusieve ironie Deze vorm van ironie
drijft de spot met anderen. Het prototype hiervan wordt ook wel
socratische ironie genoemd.
F
Faction Een Engelse naam voor verhalende teksten die
hedendaagse werkelijkheid en fictie vermengen.
Fictioneel Fictionele teksten bevatten verzonnen (fictieve)
elementen.
Figuur Element dat betrokken is
bij een gebeurtenis, door deze te veroorzaken of te ondergaan.
Focalisatie De
relatie tussen de visie en datgene wat gezien of waargenomen wordt. Het
kan daarbij zowel om het zien van mensen en dingen als om het waarnemen
van gedachten en gevoelens gaan.
Focalisator Subject
van focalisatie.
G
Gebeurtenis Verandering van een situatie.
Geheim Spanning, waarbij personage en/of
focalisator meer weet dan de lezer.
Geschiedenis Inhoud van een verhaal, bestaande uit
elementen.
H
Heteropathische identificatie
Identificatie waarbij de lezer buiten zichzelf treedt en zich inleeft
in de uitgebeelde ander, zodat de lezer nieuwe ervaringen opdoet.
Historische roman Roman waarin historische
werkelijkheid en fictie vermengd worden.
Homerische vergelijking Vergelijking met een sterk uitgewerkte
vergelijker.
Humor Een discrepantie waarvan de absurditeit tot lachen
aanzet.
Hyperbool Figuur van overdrijving.
I
Identificatie Het meeleven of zich persoonlijk betrokken
voelen bij gevoelens en gebeurtenissen die in een tekst zijn
uitgedrukt.
Identificatie of empathie Inleving van de lezer in een personage
of focalisatiepositie.
Imitatio (Lat.) Nabootsing van de werken van voorgangers.
In medias res (Lat.) ‘Midden in het gebeuren’ (Horatius):
uitdrukking die aangeeft dat een tekst midden in het gebeuren
begint.
Inclusieve
ironie of romantische ironie Hierbij wordt de spot gedreven met de
verteller zelf, of plaatst deze zichzelf binnen de groep die bespot
wordt.
Ingenium (Lat.) Aanleg, talent.
Interne verteller Verteller die tevens deelneemt aan de
geschiedenis.
Intertekstualiteit Een intertekstuele relatie tussen teksten is
de creatieve verwerking van vroegere teksten in een latere tekst. Die
verwerking gaat gepaard met betekenisverandering.
Ironie Ironie wordt wel
gedefinieerd als een vrijwel onhoudbaar contrast tussen wat gezegd
wordt en wat betekend wordt.
K
Katharsis Begrip uit de Poëtica van de Griekse filosoof
Aristoteles. Er wordt een proces van psychische ‘reiniging’ mee
aangeduid, waarbij de lezer door middel van heteropathische identificatie vrees voor de
uitgebeelde ander – een tragische figuur – en medelijden met die ander,
doormaakt, zodat hij of zij de gevolgen kan voelen van een daad die hij
of zij niet heeft begaan.
Kort verhaal Genreaanduiding voor een verhalende, doorgaans
fictionele tekst van beperkte omvang en complexiteit. Korte verhalen
worden doorgaans in tijdschriften of gebundeld gepubliceerd.
L
L’art pour l’art Kunst omwille van de kunst, een
esthetiserende kunstopvatting.
Leeshouding Houding van de lezer t.o.v. de tekst, waarmee hij of
zij zich openstelt voor bepaalde signalen.
Literatuuropvatting Opvatting over de aard, functie en waarde
van literaire teksten.
Litterae bonae of Litterae humanae Term voor literatuur
in de renaissance. Menselijke of goede letteren, waarbij menselijk
tegenover theologisch staat.
M
Materiaalbehandeling De bewerking in literatuur door
kunstgrepen van het gebruikte materiaal.
Meerduidigheid Het verschijnsel dat teksten meerdere
betekenissen toelaten.
Mémoire involontaire (Frans) Onwillekeurige herinnering. Term
uit de Proust-interpretatie.
Metafoor Figuur waarbij er sprake is van betekenisoverdracht en
dus van nieuwe betekenis. De betekenisoverdracht komt tot stand wanneer
datgene wat men zegt en dat waarvoor dat staat gelijkenis met elkaar
vertonen.
Mimesis Nabootsing (Plato) van de werkelijkheid of uitbeelding
daarvan (Aristoteles).
N
Natura (Lat.) Natuur, aanleg.
Novelle Genreaanduiding voor een verhalende, doorgaans
fictionele tekst met een relatie eenvoudige structuur en een
middellange omvang. Novellen worden soms gebundeld, soms apart
gepubliceerd.
O
Ontroering Een
intense leeservaring, waarbij de lezer in letterlijke zin buiten
zichzelf treedt, zichzelf verliest.
Open plek Plek in een tekst waar iets ongezegd of onbeslist
blijft.
P
Paradox Uitspraak die schijnbare tegenspraak bevat.
Pars pro toto (Lat.) Retorische
figuur: deel voor geheel.
Personage Figuur, voorzien van
eigenschappen en geplaatst in een vertelsituatie.
Poëtica Beschrijving van een literatuuropvatting of
literatuuropvattingen.
R
Raadsel Spanning, waarbij noch lezer,
noch personage en/of focalisator het
antwoord op de opgeroepen vraag weet.
Receptietheorie Een theorie over de manier waarop lezers
(literaire) teksten lezen en interpreteren.
Reportageroman Roman waarin een verslag van
de hedendaagse werkelijkheid en fictie vermengd worden.
Roman Genreaanduiding voor een
verhalende, doorgaans fictionele tekst, van een omvang en complexiteit
die publikatie in een apart deel rechtvaardigt.
Romantische ironie Zie inclusieve
ironie
S
Semantisering Het betekenis geven aan
vormverschijnselen.
Situationele ironie Zie dramatische
ironie
Spanning Een vorm van
nieuwsgierigheid, gewekt door een manipulatie van de informatie,
waarbij vragen worden opgeroepen en onderhouden, terwijl beantwoording
uitgesteld wordt.
Sublieme ervaring Uit de Romantiek stammende term voor een
radicale vorm van ontroering, waarbij de
intense ontmoeting tussen tekst en lezer de grens tussen de een en de
ander opheft.
Synecdoche retorische figuur Deel voor geheel (= pars pro toto) of geheel voor deel.
T
Taaldaad Datgene dat een woordvoerder doet door het woord te
voeren; het effect dat hij of zij teweegbrengt bij de toehoorder.
Taalhouding De wijze waarop een woordvoerder zich van taal
bedient om iets te doen. Globaal zijn de belangrijkste taalhoudingen:
betogen, informeren – waaronder vertellen –, uiting geven aan eigen
gevoelens, aanspreken.
Toehoorder De lezer tot wie de tekst gericht is en waarvan een
adequate leeshouding wordt verwacht.
Toeschrijving of
attributie De wijze waarop een primaire verteller het woord
geeft aan een ingebedde woordvoerder.
U
Utile dulci (Lat.) Nuttige (verenigd) met het aangename. Volgens Horatius de functie van poëzie.
V
Variatio (Lat) Variatie bij imitatie.
Verhaal (in engere zin) Het geheel van aspecten, dat de
geschiedenis ‘kleurt’, bemiddelt.
Verhaalretorica Structuurelementen die een specifiek effect
oproepen.
Verteller Woordvoerder van een verhaal. Naar de identiteit van
de woordvoerder onderscheidt men een ik-verteller van een verteller in
de derde persoon.
Vertelsituatie Structuur van de bemiddeling tussen tekst en
geschiedenis, waarbij een verteller een bepaalde visie – focalisatie – op de gebeurtenissen meedeelt. De
vertelsituatie is dus de specifieke combinatie van verteller en focalisatie.
Volta of chute
Betekeniswending na de achtste regel van het sonnet of na de twaalfde
regel van het Shakespeareaanse sonnet.
Vrije indirecte rede Dubbelzinnige tekst, waarbij niet uit te
maken is of het vertellerstekst is of aangehaalde woorden van een
figuur. Er is geen toeschrijving of een
afhankelijke-bijzinconstructie, en de aard en spreker van de taaldaad
blijven onduidelijk.















